Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS3446

Datum uitspraak2005-01-13
Datum gepubliceerd2005-01-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/2579 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking besluit in hoger beroep waardoor het belang aan de onderhavige procedure is komen te ontvallen. Hoogte proceskostenveroordeling; noodzaak nadere zitting.


Uitspraak

03/2579 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij beroepschrift van 26 mei 2003 heeft J.H.C. van Dongen, sociaal-juridisch medewerker bij Metaalunie te Nieuwegein, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 7 april 2003, nummer 02/803, tussen partijen gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad van 21 september 2004, waar voornoemde gemachtigde is verschenen namens appellante en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. K.D. van Someren en E.I. van Dompselaar. Na behandeling van het geding is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer, waarna de behandeling is voortgezet. Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2004, waar - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - namens appellante is verschenen haar gemachtigde en waar namens gedaagde - eveneens na ambtshalve oproeping - is verschenen mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Voorafgaand aan de zitting van 25 november 2004 heeft gedaagde bij brief van 22 november 2004 medegedeeld dat een grondslag voor het besluit op bezwaar van 20 maart 2002 ontbreekt en dat dat besluit wordt ingetrokken. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het belang aan de onderhavige procedure is komen te ontvallen. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante reeds naar aanleiding van de enkelvoudige zitting in hoger beroep had kunnen concluderen dat het besluit niet zou worden gehandhaafd, zodat ten behoeve van de proceskostenveroordeling in hoger beroep slechts één zitting in aanmerking dient te worden genomen. De Raad volgt gedaagde niet in dit standpunt, aangezien gedaagde zelf tot enkele dagen voor de zitting van de meervoudige kamer onzekerheid heeft laten bestaan omtrent het besluit. Indien gedaagde naar aanleiding van de eerste zitting meende dat het besluit niet kon worden gehandhaafd, had het op de weg van gedaagde gelegen daarvan tijdig mededeling te doen en onder intrekking van dat besluit een nieuw besluit te nemen. Overigens wijst de Raad erop dat appellante - evenals gedaagde - door de Raad is opgeroepen bij gemachtigde ter zitting op 25 november 2004 te verschijnen, zodat appellante niet de vrijheid had om van het verschijnen ter zitting af te zien. Deze kosten worden derhalve in eerste aanleg begroot op € 644,-- en in hoger beroep op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.610,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.610,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde recht van respectievelijk € 218,-- en € 348,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005. (get.) B.J. van der Net. (get.) M. Renden.